Mijn
leven
Iedereen was blij dat de oorlog voorbij
was. Dat moest gevierd worden! Negen maanden later werd er in Bussum
een babyboempje geboren. Dat was ik. Ze zeggen dat mijn vader veel zenuwachtiger
was dan mijn moeder en door de gang van het ziekenhuis liep te ijsberen.
Soms denk ik dat mannen meer aanleg hebben voor groots lijden, terwijl
dat van vrouwen meer praktisch gericht is. In ieder geval was ik er
zonder die oorlog niet geweest, een schuld die ik jaren later heb ingelost
met een roman.
In het begin woonden we met een heleboel andere familieleden in een
Pippi Langkousachtige villa in Hilversum. Met zoveel ooms en tantes
op een kluitje was het samenwonen voor iedereen natuurlijk een voortdurende
oefening in vreedzame coëxistentie. Maar er heeft nooit bloed gevloeid.
Wel veel tranen. Om eerlijk te zijn: die van mij, toen mijn favoriete
knuffel Hazelien door de boxer van een tante aan stukken gescheurd werd.
Er kwam geen bloed uit, maar wel heel veel zaagsel. Het was een erg
zielig gezicht, het tapijt vol zaagsel met hier en daar een lapje haas.
En 's nachts in bed verlangde ik ontzettend naar haar oren.
Ik heb nooit geprobeerd om, zoals de beroemde heldin uit de kinderboeken,
vanuit het zolderraam weg te vliegen. Maar de zolder met zijn geheimzinnige
kamers, waarin het naar droog hout en oude boeken rook, was wel een
ultieme plek om het in je verbeelding te doen.
Er waren mensen die de oorlog hadden
gebruikt om rijk te worden. Mijn ouders niet. We verhuisden naar Amsterdam
toen ik drie was en er was zelfs geen geld om een tramkaartje te kopen.
Wat een geluk! De vele kilometers tussen ons huis en dat van mijn overgrootvader
legden we te voet af. Als beloning deed hij hop hop paardje met me en
mocht ik in zijn spionnetje naar de Albert Cuypmarkt gluren. Bovendien
kreeg ik ontzettend sterke beenspieren.
Aan al die kilometers over Amsterdamse
stoepjes heb ik een levenslange behoefte aan lopen overgehouden. Rol
een schaduwrijk weggetje voor me uit en ik ben niet meer te houden.
Leg een leuk geitenpad voor me neer en ik ben weg. Het fijne van lopen
is dat je het op elk moment van de dag of de nacht kunt doen en dat
je niet in clubverband achter een bal aan hoeft te hollen. Het laat
zich ook goed combineren met schrijven, wat voornamelijk een exercitie
in stilzitten is.
Wel merk ik dat ik veeleisender word. Er schijnen almaar nieuwe paden
bewandeld te moeten worden die naar steeds onbekendere horizonten voeren.
En omdat je in de supermarkt je karretje niet zomaar met een stel paden
kunt vullen alsof het flessen whisky zijn, moet ik er zo nu en dan een
oceaan voor oversteken.
Mijn vader was chemicus. Hij werkte
in een laboratorium bij Organon, waar nieuwe geneesmiddelen werden ontwikkeld.
Tijdens het avondeten hoorde je soms welke ziektes er allemaal bestonden.
Een van zijn specialiteiten was spieratrofie. Tussen de aardappels en
de yoghurt leerde ik dat ik geweldig bofte dat ik met mijn armen en
benen kon doen wat ik wilde. De ziekenhuizen lagen vol kinderen bij
wie de spieren langzaam wegkwijnden. Het was een dieptreurig beeld,
waar ik hypochondrisch van werd. Bij het minste pijntje dacht ik dat
de atrofie nu ook bij mij toesloeg. Waarom zouden andere kinderen, die
misschien veel meer hun best deden dan ik, het wel krijgen en ik niet?
Vanwege Organon verhuisden we naar de Brabantse hei, in de buurt van
Oss. Dat was een heel andere wereld dan die we hadden achtergelaten.
Mijn moeder had het gevoel dat we geëmigreerd waren. Het was je
reinste Gabriel Garcia Marquez op het Brabantse platteland! We woonden
er nog maar net of de buurman raakte een oorringetje kwijt. Hij liep
overal wanhopig te zoeken. Ons leek het niet zo erg, een oorringetje
meer of minder. Wat waren we naïef! Wat hadden we nog veel te leren!
Met maar één oorring kun je niet recht schieten!
Op een dag verscheen de televisie
in het leven der mensen. Sommigen denken dat de atoombom en de landing
op de maan de meest revolutionaire fenomenen van de twintigste eeuw
zijn. Zij zoeken het in het grootse, in iets dat de menselijke maat
overstijgt, maar zien het kleine over het hoofd: een scherm in de zithoek
dat beeld en geluid biedt, zodat je gewoon in je eigen huiskamer van
de atoombom en de landing kunt genieten.
Mijn favoriete kinderprogramma was de Verrekijker. Daarin zag je hoe
kinderen in andere landen leefden. Met stokjes etende Chinese kinderen
in Mao-jasjes, Afrikaanse kinderen die halfnaakt in een modderige rivier
zwommen, Zwitserse kinderen die met een schooltas op hun rug de alp
afdaalden. Ik wilde wel al die kinderen zijn. Het liefst van allemaal
de Zwitserse, vanwege de bergen. Ik heb nooit begrepen hoe het komt
dat Nederland zo plat is. Van het begin af aan wist ik dat er iets niet
in de haak was met ons landschap, maar pas toen ik de Zwitserse bergen
zag wist ik wat het was.
Wat een onschuldig kinderprogramma kan aanrichten! Dankzij de Verrekijker
woon ik nu in twee buitenlanden, Portugal en Frankrijk. Er zijn heuvels
en bergen bij de vleet, je hebt ze in alle soorten en smaken - al of
niet met slagroom op de top. Als er zoiets bestaat als "het landschap
van de ziel" dan heb ik het gevonden, hoewel ik nog steeds bij
vlagen lijd aan "Da wo ich nicht bin, da ist das Glück".
Met mijn hond, een Bretonse spaniel die zich moeiteloos van zwerver
tot aristocratische huisgenoot heeft opgewerkt, loop ik heel wat af.
Hij wordt net zo chagrijnig als ik als we eens een dag overslaan. Hij
beslist waar we heen gaan, ons keuzemenu is mij soms iets te rijk. Wat
wordt het vandaag, vraag ik. De heuvels met de magische stenen, de rivier,
de rode klippen, de zee, het strand met de cactussen, de lagune, het
pad naar de bron, de grot of het laantje met de mimosa? Zegt hij de
rivier, dan wordt het de rivier. Hij weet het beter dan ik. In het algemeen
kan er over onze wandelingen gezegd worden: wat is er achter de volgende
berg, dat houdt ons gaande.
Ooit heb ik gedacht dat ik later iets moest worden. Ik bedoel een echt
beroep uitoefenen, waarvoor je eerst een diploma moet halen en dan solliciteren.
Ik heb heel wat zinloos zitten ploeteren op onbegrijpelijke teksten,
voordat ik begreep dat het nooit wat zou worden met mij en een echt
beroep.
Schrijven als strijd tegen de vergankelijkheid?
Ik ben al tevreden als de lezer zich een jaar later nog de hond herinnert
die chagrijnig werd als er een dag niet gelopen werd. Dat die hond een
baasje had dat als kind erg van de Verrekijker hield doet er minder
toe. Al zou het leuk meegenomen zijn wanneer die informatie ook nog
een tijdje bleef hangen, alleen omdat het zo mooi was opgeschreven.
terug naar Mijn leven