Werk                         Vertalingen                         Leven                         Film en toneel                        Reizen                        Agenda                        Home                  
 

De Anton Wachter-Prijs
Uit het juryrapport
Dankwoord Tessa de Loo

 

 








 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Anton Wachter-Prijs

De Anton Wachter-prijs is een tweejaarlijkse prijs en wordt uitgereikt voor het beste prozadebuut naar oordeel van een vakjury. De prijs is vernoemd naar de hoofdfiguur in de autobiografisch getinte romancyclus van de auteur Simon Vestdijk. Tessa de Loo kreeg de Anton Wachter Prijs in 1984 voor 'De meisjes van de suikerwerkfabriek'.


terug naar De Anton Wachter-Prijs


Uit het juryrapport

'Tessa de Loo heeft al deze ervaringen, gedachten en gebeurtenissen weergegeven met een fijn gevoel voor enerzijds het bloedernstige ervan en anderzijds de koldereske kanten scherp belicht. Zij is niet bezweken voor de verleiding van een overaccentuering van het belangrijke; zij durft zich emotioneel kwetsbaar op te stellen. In dit op zich doet zij denken aan de naïeve, maar tegelijkertijd zo ontwapenend eerlijke hoofdpersoon uit Op hoge hakken. Op de platte sloffen van het cynisme is het heel wat gemakkelijker lopen, maar de lezer wordt meer geboeid door een wankel evenwicht tussen gevoel en spot.'

terug naar De Anton Wachter-Prijs

Dankwoord Tessa de Loo

De uitreiking van de prijs aan Tessa de Loo door Hans Wiegel, de Commissaris van de Koningin in de provincie Friesland, vond plaats in Harlingen op 5 mei 1984.

Zij zei daar het volgende:

Ik heb thuis het een en ander op papier gezet om duidelijk te maken wat het in ontvangst nemen van de Anton Wachterprijs voor mij betekent.

Dames en heren,

Iemand die schilder wil worden bezoekt de kunstacademie. Zo leidt de toneelschool op tot acteur, het conservatorium tot musicus. Dit zijn alom gerespecteerde opleidingen, die aan het eind van de rit een diploma uitreiken, waarna niemand in twijfel zal trekken dat men nu kunstschilder of toneelspeler is, al is het natuurlijk nog geen garantie voor kwaliteit.
Wie echter het verlangen koestert schrijver te worden tast in het duister. Voor hem zijn er geen academies, geen leermeesters, geen handboeken. Hij kan geen diploma's of getuigschriften behalen. Voor datgene wat hij wil bestaat geen instituut: hij bevindt zich buiten de gevestigde orde. Hij zal zich er wel voor hoeden hardop te zeggen: ik wil schrijver worden.
Ik wil tandarts worden, ik wil in het verzekeringswezen, ook goed, maar schrijver? Daarom zal hij voor de ogen van de wereld een ander vak gaan uitoefenen, waar iedereen vrede mee heeft. Hij zal alleen in het geniep schrijven, alsof hij obscure lusten bedrijft, en zich hooguit een keer in beschonken toestand tegen een intieme vriend iets laten ontglippen over zijn geheime bezigheid. Zolang men geen landelijk bekend schrijver is, wordt schrijven door de omgeving meewarig beschouwd als een ietwat zielige hobby voor iemand die zich onbegrepen voelt. Beter kon hij figuurzagen of parkietjes fokken, dat kan iedereen zien en begrijpen.
Een tweede moeilijkheid is dat hij alles zelf moet uitvinden. Er is geen studieboek waarin de techniek van het schrijven uit de doeken wordt gedaan. Voor hem is er alleen het dwaalspoor van de literatuurwetenschap, zoals ik uit eigen ervaring weet. Het wezenlijke van schrijven: dansen op een smal koord tussen gevoel en verstand, laat zich niet vangen.
Er is geen leraar aan wie hij kan vragen: Kunt u me zeggen hoe ik verder moet, of wat ik verkeerd doe?
Alleen de grote meesters in de boekenkast staan hem terzijde. Zij zijn het enige voorbeeld dat hij heeft, waaraan hij zich aanvankelijk vastklampt om het tenslotte weer los te laten.
Slaagt iemand er uiteindelijk in een boek te schrijven en uitgegeven te krijgen, dan doet hij, zonder hierbij zelf aanwezig te zijn, toch een soort examen. De critici werpen zich op zijn werkstuk. Zijn ze bekwaam en integer dan kan hij ze beschouwen als leraren die te elfder ure zijn komen opdraven en van wie hij soms iets kan leren. Tegelijkertijd echter moet hij, als een eigenwijze scholier, zijn kop in de wind gooien.
Zo is Gerard Reve god zij dank niet bij de pakken neer gaan zitten toen Rico Bulthuis over 'De avonden' schreef: 'Men vraagt zichzelf af als men het taaie relaas onvoldaan uit handen legt: Weet je anders niets? …Misschien kan een psychiater hem helpen.'
Ook W.F. Hermans is gewoon doorgegaan toen W.L.M.E. van Leeuwen hem 'larmoyante pathetiek en platte grollen' toedichtte.
En wat Simon Vestdijk betreft … Ik ben in de bibliotheek op zoek gegaan naar een soortgelijke uitspraak van een criticus over het vroegere werk van Vestdijk. Dit betekent dat ik de inhoud van een serie mappen die een boekenplank in beslag namen door mijn handen heb laten gaan, intussen denkend: Ik ben wel raar bezig. Omdat ik zaterdag de Anton Wachterprijs ontvang ben ik nu op zoek naar een negatieve uitlating over het werk van Vestdijk. Ik kan u verzekeren: men moet lang zoeken. Na uren vond ik een vergeelde pagina van het weekblad De Tijd uit 1957, waarin Gerard Knuvelder opbiecht: 'Het zal wel aan mij liggen, maar een niet onaanzienlijk deel van het letterkundig werk van S. Vestdijk "doet" mij weinig of niets.' Een op zijn minst merkwaardige uitspraak van iemand aan wiens hand generaties studenten de literatuur zijn binnengewandeld. Maar hij kon geen kwaad meer stichten: aan Simon Vestdijks grootmeesterschap kon toen al niet meer getornd worden.
Wat de kritiek op mijn debuut betreft: niet alleen de loftuitingen, ook de negatieve kanttekeningen heb ik ter harte genomen. Alleen gooi ik zo nu en dan mijn kop in de wind. Wanneer een criticus me bijvoorbeeld verwijt dat ik teveel naar de 'haute cuisine' van de literatuur reik, dan denk ik: je kunt beter leren koken in de haute cuisine, dan in de keuken van een snackbar waar alleen fricadellen en huzarenslaatjes op het menu staan.

Ik heb geprobeerd u te laten zien welk een lange weg er aan een debuut vooraf gaat en hoe eenzaam deze is. De Anton Wachterprijs is daarom voor mij niet alleen als een knipoog van de meester die betekent: je bent op de goede weg, ga zo door; hij geeft bovendien het zelfvertrouwen om nieuwe uitdagingen te zoeken en niet toe te geven aan de angst voor het boek dat nog niet geschreven is.
Ik zou willen besluiten met een citaat uit het op een na laatste hoofdstuk van 'De kellner en de levenden'. De kordaatheid waarmee de hoofdpersonen over glas lopen, terwijl daaronder de sterrenhemel van onze tegenvoeters gaapt, is te vergelijken met het blinde vertrouwen waarmee een schrijver, spitsroeden lopend over het witte papier, zich in de wereld van de verbeelding begeeft.

Ik dank de Vestdijkkring, het comité, de gemeente Harlingen en mevrouw Vestdijk voor hun bijdrage aan het welslagen van deze dag en ik dank u allen voor uw aandacht.

terug naar De Anton Wachter-Prijs