De
Otto von der Gablentz-prijs
De
Otto von der Gablentz-prijs wordt sinds 1994 periodiek uitgereikt aan
een persoon of instelling die zich in het bijzonder verdienstelijk heeft
gemaakt voor de verbetering van de betrekkingen tussen Duitsland en
Nederland. De prijs is ingesteld door het Nederlands Instituut voor
Internationale Betrekkingen Clingendael.
De Prijs is genoemd naar Otto von
der Gablentz, die gedurende zeven jaar als Duits ambassadeur in Nederland
op lofwaardige wijze de wederzijdse verstandhouding en waardering heeft
bevorderd.
De prijs is in 1994 toegekend aan
Tessa de Loo omdat haar boek 'De tweeling' volgens de jury 'het onderwerp
en vooral de wijze van behandeling bijdragen tot een beter onderling
begrip en verbetering van de relaties tussen beide landen.'
terug
naar De Otto von der Gablentz-prijs
Dankwoord
Tessa de Loo
Dankwoord uitgesproken op 7 november 1994:
Geachte aanwezigen,
De middeleeuwse benaming voor onze
taal is Diets - het Duits was en is de taal die in Duitsland gesproken
wordt: de overeenkomsten tussen beide talen zijn veel groter dan de
verschillen. En wie op een mooie dag op een terras zit in Keulen, Berlijn
of Amsterdam en naar de mensen kijkt ziet, wat het uiterlijk betreft,
dezelfde mensen aan zich voorbij trekken.
Er is dan ook iets te zeggen voor de theorie van Harry Mulisch dat onze
zogenaamde 'Duitslandhaat' niets meer is dan een tegen onze Grote Broer
aanschoppen, tegen die politieke en economische reus bij wie wij altijd
in de schaduw zullen staan. Dat zal ook zeker een rol spelen - in zoverre
is ons land misschien te vergelijken met Ierland dat zich tegen Engeland
afzet, Portugal tegen Spanje, Polen tegen Rusland.
Maar de geschiedenis heeft geleerd dat wij door diezelfde Grote Broer
onder de voet gelopen kunnen worden. Ik denk dan ook dat we daarin de
hoofdoorzaak moeten zoeken voor de woede, de afkeer, de ontgoocheling,
kortom: al die negatieve gevoelens die veel meer en groter zijn dan
'aanschoppen tegen'. Respect is dan ook op zijn plaats voor de gevoelens
van de generaties die de oorlog hebben meegemaakt, en zeker voor diegenen
voor wie die periode gepaard is gegaan met traumatische ervaringen die
in één mensenleven niet te verwerken zijn.
Maar waar het de na-oorlogse generaties betreft - beginnende bij mezelf,
want ik ben van de babyboom van kort na de oorlog, uit de tijd van de
wederopbouw - daar wordt het, vind ik, de hoogste tijd op te houden
met blindelings volharden in het vijandbeeld waarmee we zijn opgegroeid.
Het onderwijs heeft niet nagelaten de oorlogsjaren eenzijdig te belichten,
en ook de Nederlandse literatuur werd niet moe de Duitser de stereotype
schurkenrol op te leggen, terwijl voor de Hollander de rol van al of
niet heldhaftig slachtoffer was weggelegd. Ik herinner me ook nog levendig
het zogenaamde 'politieke bewustzijn' uit mijn studententijd in de zestiger
jaren, meer een modieuze trend dan een diepgewortelde overtuiging. Onder
het motto 'Wees consequent' gingen we niet op vakantie in het Griekenland
van Papadopoulos, het Spanje van Franco, het Portugal van Salazar, het
Duitsland van na de oorlog.
En wanneer we in het buitenland voor een Duitser dreigden te worden
aangezien haastten we ons te verklaren dat we Hollanders waren, niet
zonder trots!
Ikzelf ben opgegroeid met familieverhalen over de oorlog: over onderduikers,
honger, razzia's, angst. 'We zijn allemaal zenuwpatiënten geworden
door de oorlog', hoorde ik vaak zeggen, en 'Wat waren we naïef
en romantisch voor de oorlog'.
Door mijn vriendschap, vanaf 1985,
met een bejaarde Duitse vrouw, Maria Hesse, is mijn vroegere beeld van
Duitsland grondig omvergeworpen. Dat is gepaard gegaan met heftige discussies
en een innerlijk conflict waarvan 'De tweeling' de neerslag is. Dankzij
Maria Hesse heb ik 'de andere kant' leren kennen - en daarmee bedoel
ik niet alleen wat zich aan de andere kant van de grens afspeelde tijdens
de oorlog, maar ook een andere kant in mezelf: wat zou ik gedaan hebben
wanneer ik niet in de vijftiger en zestiger jaren van deze eeuw in Nederland
was opgegroeid, maar in de twintiger en dertiger jaren in Duitsland?
Wie zich werkelijk in die vraag inleeft kan niet langer gemakzuchtig
blijven hangen in het traditionele vijandbeeld, omdat duidelijk wordt
dat, aan beide zijden van de grens, het grootste deel van de burgerbevolking
niet meer dan een speelbal van de geschiedenis was.
'De tweeling' heeft veel losgemaakt
bij de lezers - niet in de laatste plaats bij Duitsers, en kinderen
van Duitsers, die al lang in Nederland wonen. Ik heb zelfs een oude
Duitse dame huilend aan de telefoon gehad, die zei dat ik háár
leven had beschreven, exact haar leven. 'Ik moest het steeds wegleggen',
zei ze, 'dan werd 't me te machtig. Ik kon het ook niet lezen voor het
slapen gaan
'
Ik ontving veel post, word er op straat, in restaurants , in de trein,
zelfs in Portugal waar ik woon op aangesproken. En altijd is de teneur:
het was de hoogste tijd voor een boek van deze strekking, het is goed
dat het er is, het stemt tot nadenken, tot zelfonderzoek. Een zekere
deemoed bevangt me daarbij, want ik ben me er goed van bewust dat het
boek zoveel nietiger en onaanzienlijker is dan het thema waarop het
betrekking heeft: oorlog en vrede - of: haat en verzoening.
Wat ik tot slot zou willen zeggen:
ik ben natuurlijk bijzonder blij met de prijs die ons hier bijeen heeft
gebracht, maar eigenlijk vind ik dat hij Maria Hesse toekomt, die zich
zoveel moeite heeft gegeven om het eenzijdige beeld dat ik van de oorlog
had te verbreden en te verdiepen, die met eindeloos geduld mijn tegenwerpingen
bleef pareren, die haar gevoel voor humor niet verloor wanneer we al
te pijnlijke onderwerpen aanroerden.
Wanneer ze nog in leven zou zijn, en hier naast me zou staan, zou ik
haar naar voren duwen en zeggen: 'Het is jouw prijs, Maria, neem jij
hem maar in ontvangst.' Wat ze natuurlijk zou weigeren, haar kennende.
Maar ik weet zeker dat ze, hoewel ze een hekel had aan officiële
gelegenheden en gewichtigdoenerij, zeer tevreden zou zijn geweest met
deze erkenning, en een beetje trots ook, want als er iets was wat haar
na aan het hart lag, en wat ze min of meer als haar missie zag, dan
was het de strijd tegen onrecht. Ze beschouwde het als een groot onrecht
dat het Duitse volk door het Westen collectief schuldig bevonden was
aan de oorlog. Bovendien stelde ze alles in het werk uit te dragen dat
het Duitsland aan het eind van de twintigste eeuw een heel ander Duitsland
is dan dat van de jaren veertig.
'Nu', was haar stellige overtuiging,
'zouden mensen al die onzin niet meer geloofd hebben, Mädchen,
nu je in een uurtje van Keulen naar Parijs vliegt.'
terug
naar De Otto von der Gablentz-prijs