Toespraak van
Tessa de Loo bij de presentatie van 'Een varken uit het paleis'
Was dit portret er niet geweest, dan was ook dit boek er niet geweest.
Want het begon met een afbeelding van dit portret, waarvoor Lord Byron
in 1814 model zat in het atelier van Thomas Philips. Byron draagt een
Albanees kostuum dat hij tijdens zijn verblijf in Ioannina in 1809 gekocht
had. Het originele schilderij hangt in de ambtswoning van de Engelse
ambassadeur in Athene.
Een
afbeelding ervan zag ik voor het eerst toen ik zestien was, in mijn
Engelse Literatuurboek 'Highroad of English Literature'. Er was iets
wat me onmiddellijk fascineerde. Waren het de schitterende zijden hoofdtooi
en het kostuum in oriëntaalse tinten? Waren het de starende, lichtblauwe
ogen die in de verte dingen leken te ontwaren die voor mij onzichtbaar
bleven? Was het de onweerstaanbaarheid van de uitgesproken knappe gelaatstrekken?
Of was het de combinatie van dat alles?
De korte biografie die erbij stond afgedrukt en die door de leraar nog
met korte feitelijkheden werd uitgebreid verhevigde mijn belangstelling.
Dat hij geboren was met een horrelvoet, dat hij een misantroop en een
cynicus was, dat zijn huwelijk binnen een jaar op de klippen liep en
dat hij zich op zijn 28e zo'n slechte reputatie had verworven dat de
Engelse samenleving zich tegen hem keerde en hij het eiland voor altijd
ontvluchtte - het waren allemaal 'défaults de sa qualité'
die me geweldig voor hem innamen. Mijn klasgenoten dweepten met helden
van het witte doek, ik aanbad mijn dode dichter.
Keer op keer herlas ik de fragmenten van enkele van zijn gedichten die
in het boek waren afgedrukt. Regels uit 'The prisoner of Chillon' en
'Childe Harolds Pilgrimage' kregen een betekenis die zichzelf oversteeg:
My hair is gray, but not with years
Nor grew it white
In a single night
Of
I stood in Venice on the Bridge of
Sighs
A palace and a prison on each hand
In de jaren die volgden kwamen er
andere helden en antihelden voor Byron in de plaats. Eigenlijk had ik
in geen eeuwen meer aan hem gedacht toen ik op een dag, in een heel
ander verband, op hetzelfde portret stuitte.
Dat had met Albanië te maken. In het begin van de jaren negentig,
toen het IJzeren Gordijn verdwenen was, bleef Albanië voor de buitenwereld
gesloten. Ik wist heel weinig van het land, behalve dat het decennia
lang in de wurggreep van Enver Hoxha had verkeerd, die er zijn eigen
variant van het communisme bedreef. Ik had vanaf de top van de Pantokrator,
de hoogste berg op Korfoe, aan de overkant van een smalle zeestraat
de grijze bergen van Albanië zien liggen, grimmig en intrigerend.
Al zou je er zo naar toe kunnen peddelen, toch waren ze onbereikbaar.
Daar wilde ik heen. Ik had genoeg van de bekende toeristenoorden. Ik
verlangde naar onbetreden paden, nooit geziene landschappen, barbaarse
streken, verboden landen. Dat moest nog bestaan, dat wist ik zeker,
gewoon in Europa. In Albanië.
Terug in Nederland zocht ik bij Pied à Terre een reisgids over
dit land, er aan getwijfeld of die bestond. Maar jawel, er waren enkele
Duitse gidsen, en er was een uitgebreide in het Nederlands, van 1988.
Daarin stond verbluffend veel informatie, niet alleen over de geografie
- het feit dat het land grotendeels uit bergen bestond - maar ook over
de geschiedenis, de economie, de politiek. Wat was er al veel bekend
over het land dat me vanuit Korfoe zo mysterieus had toegeschenen, er
stonden zelfs toeristische tips in. Ik was diep teleurgesteld en wilde
het boek juist dichtklappen toen mijn oog viel op een hoofdstuk onder
de titel 'Lord Byron in Albanië', verlucht met, ja, met het portret
waar ik enkele decennia eerder zo aan verknocht was geweest.
Lord Byron bleek als 21-jarige in Albanië te zijn geweest, in oktober
van het jaar 1809, samen met zijn vriend John Cam Hobhouse. Hij was
van de gebruikelijke Grand Tour afgeweken en in Ioannina gearriveerd,
dat nu de hoofdstad is van de Noord-Griekse provincie Epiros. Een Grand
Tour was oorspronkelijk een reis, via Frankrijk, naar Italië, Griekenland
en Turkije om de overblijfselen van de antieke culturen te bezoeken
- de reis werd vaak gemaakt door jongeren uit de Britse aristocratie,
ter afsluiting van hun klassieke studie. Maar van het begin af aan had
Byron een andere route dan de gebruikelijke gevolgd, omdat hij vanwege
de Napoleontische oorlogen niet door Frankrijk kon reizen. Hij ging
per pakketboot naar Portugal, waarna hij via Spanje en Malta tenslotte
in Preveza op het Griekse vasteland terechtkwam.
Terwijl Byron en zijn vriend in Ioannina waren, heerste over Epiros
en een groot deel van Albanië een omhoog gevallen struikrover,
Ali Pasja. Als aanvoerder van een groep tot de tanden bewapende rovers
had hij door middel van overvallen op dorpen, plunderingen en moorden
een uitgestrekt grondgebied veroverd waarover hij als een oosters despoot
heerste. Griekenland en Albanië maakten toen nog geen deel uit
van het Ottomaanse rijk. De sultan had vanuit Constantinopel de veroveringsdrift
van Ali Pasja gelegitimeerd door hem de officiële titel vizier
te verlenen. Ali onderhield diplomatieke betrekkingen met Napoleon,
de Russische tsaar en generaal Nelson van het Engelse leger, dat ook
belangen in die contreien had.
Toen de Pasja ter ore kwam dat een jonge Engelse Lord op zijn grondgebied
vertoefde, nodigde hij hem onmiddellijk uit voor een bezoek. Ali Pasja
flirtte graat met de Engelsen, van wie hij politieke steun verwachtte
bij zijn streven Albanië onafhankelijk te maken van de Sultan.
Op dat moment was Ali Pasja zelf niet in Ioannina, maar in zijn buitenpaleis
in Tepelene - een stad die nu in Zuid-Albanië ligt. Tot hun verbazing
vonden Byron en Hobhouse bij aankomst in Ioannina hun bedje gespreid.
Van een afstand had Ali Pasja alles geregeld: hun onderdak, een gastvrije
ontvangst door zijn kleinzonen in zijn paleizen in Ioannina, en paarden
met begeleiders voor de tocht van Ioannina naar Tepelene.
Onderweg door dit moeilijk toegankelijke, bergachtige gebied moesten
ze heel wat ongemakken verduren: ze werden overvallen door hevig onweer,
verdwaalden, gidsen sloegen op de vlucht, paden veranderden in woest
stromende rivieren, de paarden gleden uit en vielen, 's nachts sliepen
ze in primitieve behuizingen vol ongedierte. Tenslotte bereikten ze
Tepelene - zodra ze de poorten van Ali's paleizencomplex binnengingen
kwamen ze in een andere wereld terecht, een oriëntaalse wereld
vol pracht en praal, klaterende fonteinen, nachtelijke banketten want
het was juist Ramadan, een wereld die bevolkt werd door Turken, Albanezen,
Tartaren en zwarte slaven.
Ali Pasja ontving hen uiterst beminnelijk en zag erop toe dat het hen
aan niets ontbrak. Zijn innemende uiterlijk met blauwe ogen en een lange
witte baard deed niet vermoeden dat hij de gewoonte had zijn tegenstanders
levend te roosteren, te spietsen of te onthoofden, en overspelige vrouwen
strafte met de verdrinkingsdood. Drie avonden lang onderhield hij zich
aangenaam met de twee vrienden die hij, benadrukte hij, als zijn eigen
zoons beschouwde.
Over deze reis, en dit bezoek, schreef Byron een maand later een lange,
euforische brief aan zijn moeder, die ervan getuigt hoezeer hij onder
de indruk was van het spectaculaire Albanese landschap, en van Ali Pasja
en zijn entourage. Hobhouse en hij hadden een gebied bereisd waarin
nooit enig Engelsman was doorgedrongen en hadden zich laten verwennen
door de meest gevreesde heerser van die epoche.
Deze brief stond afgedrukt in mijn reisgids. Ik las hem ademloos. De
wereld die erin werd opgeroepen prikkelde in hoge mate mijn fantasie.
Niet minder frapperend was de stijl - hier was iemand anders aan het
woord dan die dichter die ik me herinnerde. Toen ik het boek dicht sloeg
wist ik twee dingen: ik wilde naar Tepelene en ik wilde Byron leren
kennen. Veel meer wilde ik over hem weten dan het handjevol clichématige
feitelijkheden, waarmee ik indertijd gelukkig was geweest.
Die twee wensen versmolten met elkaar en resulteerden in mijn eigen
reis in oktober 1996, van Ioannina in Epiros naar Tepelene in Albanië.
Byron achterna, letterlijk in diens spoor. Zoveel mogelijk over dezelfde
paden, in dezelfde stijl - te paard, in gezelschap van hedendaagse dragomannen
die meestal gewapend waren maar niet altijd. Want mij zoon, die in Parijs
woont, had in Le Monde gelezen dat reizigers in de Albanese bergen overvallen
werden door groepen bandieten in onduidelijke uniformen en beroofd van
alles wat ze bij zich hadden, inclusief hun kleren. Als het waar was,
was er sinds Ali Pasja in het land nog niets veranderd. Het vooruitzicht
naakt op een berg in Albanië te worden achtergelaten was niet erg
aantrekkelijk.
Ik was zo gelukkig twee reisgenoten
te vinden die beiden evenzeer in deze literaire pelgrimstocht geloofden
als ik. Dat waren de kleine kamergeleerde en anglist Afrim Karagjozi
uit Tirana en de historicus en Griekenland-expert Daniël Koster.
De overeenkomsten tussen Byrons reis en die van ons waren groot. Ook
wij werden getroffen door allerlei ongemakken en bijna-rampen. Er was
één moment tijdens de reis waarop ik door wanhoop dreigde
te worden overspoeld en ik dacht Jezusmaria, zou ik ze nog terug zien,
hen die me lief zijn. De professor had ruzie gekregen met de paardenman
over de te volgen route en was woedend weggebeend, we verdwaalden, Daniël
was achter de volgende heuvelrug verdwenen om te zien waar ons pad gebleven
was, ik had maagkramp, en ik was alleen achtergebleven met de paardenman
- een woesteling die vreemde gebaren begon te maken waarvan ik de betekenis
niet begreep maar wel vreesde. En almaar schraapten de hoefjes van mijn
paard langs de rand van een immense afgrond op de bodem waarvan het
me niet aangenaam toeven leek.
Onderweg was er, vooral aan de Albanese kant, sinds Byrons tocht niet
veel veranderd. In de afgelegen bergdorpen, waarvan vele nog niet via
een weg verbonden waren met de buitenwereld, was geen enkel restaurant,
hoe primitief ook, geen pension, geen hotel - er waren geen winkels,
er was geen straatverlichting. Alles was nog zoals ik gehoopt had en
zoals je dat bijna nergens in Europa meer vinden kunt.
Het werd een reis in de tijd, of nee, een heen en weer geslingerd worden
tussen twee tijden - het begin van de negentiende en het eind van de
twintigste eeuw. Voortdurend tobde ik over vragen als: wat is er in
de wereld veranderd in die twee eeuwen, wat is er voor altijd verloren
gegaan, is dat wat we vooruitgang noemen wel vooruitgang, pas ik wel
in deze tijd, wat doet de tijd met mij, met ons? Ik probeerde de twee
tussenliggende eeuwen weg te denken, een tour de force die euforische
momenten opleverde, maar vooral veel heimwee en een besef van onvervulbaarheid.
Wie dit soort gevoelens niet kent, zal denken: waar heeft ze het over.
Wie ze wel ken zal vol herkenning knikken.
Het was ook een ontdekkingsreis in dit deel van de Balkan. Ik heb gezien,
ondanks de rijkdom aan natuurschoon en overblijfselen van verschillende
culturen - de Illyrische, de Griekse, de Romeinse, de Byzantijnse en
de Ottomaanse - hoe moeilijk het leven is in dit land van historische
en politieke onmogelijkheden. Een land dat eigenlijk, behalve voor de
Albanezen, voor niemand bestond omdat ze er allemaal een stukje van
hadden willen hebben: de Italianen, de Oostenrijkers, de Slaven, de
Grieken, de Turken.
Byron schreef niet alleen brieven
over zijn reis. Niet lang na het bezoek aan Ali Pasja begon hij aan
een groot episch gedicht, Childe Harold Pilgrimage. Bij zijn terugkeer
in Engeland, twee jaar later, werd het - half tegen zijn wil omdat hij
er niets in zag - gepubliceerd.
Het gevolg was, om zijn eigen woorden te gebruiken, dat 'I awoke one
morning and found myself famous.'